Treinleven

In het donkere niets

Ik reken af met de pinpas van de familierekening. Mijn man – altijd op de hoogte van wat er wordt af- en bijgeschreven – zal wel denken: ze gingen een middagje naar Utrecht en nu rekenen ze om negen uur ’s avonds af bij de Burger King op Schiphol. Wat is er gebeurd? Ik stuur hem berichtje: ‘Lang verhaal en nee, onze portemonnee is niet gestolen.’

Jasmijn en ik hadden ontspannen gewinkeld in Utrecht. We verheugden ons op een rustige avond. Netflix aan, bord op schoot. Om half zes vertrok de trein van Utrecht richting Leiden. De reis verliep voorspoedig, tot we er bijna waren. Drie minuten voor we zouden aankomen op onze eindbestemming stopte de trein in het donkere niets. Het personeel van de trein informeerde ons goed: er was geen hoogspanning meer. O nee, er stond een defecte trein voor ons. O wacht. Ja, dit was er echt aan de hand: de brug, vlak voor Leiden Lammenschans, was defect.

Reizigers werd geadviseerd de trein naar Gouda te pakken en dan via Den Haag Centraal naar Leiden te reizen. Jasmijn en ik trokken onze wenkbrauwen op. Hoe dan? Waar dan? Maar opeens drong de werkelijkheid tot ons door: nog geen 500 meter van huis zou de trein van rijrichting veranderen en terugrijden naar Alphen aan de Rijn. En ja hoor, daar gingen we. Medereizigers vloekten binnensmonds.
‘Dat doen wij dus niet,’ zei ik tegen Jasmijn. ‘We nemen de bus.’ Met mijn routeplanner vond ik ons nieuwe reisschema. We moesten de bus naar Schiphol nemen en dan twee keer overstappen.
Was het maar waar.

We moesten overstappen in Woubrugge. Op een donker kruispunt van autowegen verlieten we de bus. Er reden auto’s, maar verder was het er stil, donker en afgelegen. Gelukkig waren we niet de enigen. Met z’n achten wandelden we de TL-verlichte route onder het kruispunt door naar de halte waar de volgende bus ons op zou pikken. Daar wachtten we. Er was een vrouw bij met een absurd kleurige broek, een andere vrouw met een bos krullen, een jonge jongen, een dertiger met een baard en een echtpaar met een enorme koffer. De bus zou over tien minuten komen. Jasmijn en ik bekeken de kaart. We waren al op de helft, hoefden nog maar een klein stukje.

In de verte zagen we de bus naderen. De man met de baard stak zijn hand uit. Het leek me een overbodig gebaar, we waren met veel meer mensen dan hier op een gewone avond zouden staan. De buschauffeur zou ons echt wel zien. Maar dat leek niet het geval. De bus veranderde noch van richting, noch van snelheid. Meer mensen begonnen met hun armen te zwaaien, maar de bus denderde ons voorbij. Hij zat stamp- en stampvol zat. Iemand vloekte. Ik pakte de routeplanner erbij. De volgende bus zou komen over … een uur. Een diepe zucht, nerveus gegiechel. Het voelde als een déja vu – weet je nog die keer dat we de nachttrein misten? – we hadden verkeerd gegokt, dit was niet de snelste weg naar huis.

De vrouw met krullen stapte op ons af. ‘Zullen we een taxi bellen?’ Wij knikten. We moesten alle drie naar Leiden Lammenschans. Ze begon te bellen en ondanks dat ze telkens iemand aan de lijn kreeg, had niemand een taxi beschikbaar om naar deze plek te komen. Ze belde haar man, die nam niet op. De vrouw met de gekleurde broek kwam bij ons staan. ‘Mag ik ook met jullie meerijden naar Leiden?’ Ondertussen installeerde ik de Uber-app. ‘Er zijn geen auto’s beschikbaar’, stond er in grote letters op het scherm.

Op dat moment stopte er een auto bij de halte. De jonge jongen rende eropaf, opende de achterdeur en schoof naar binnen. Als eerste gered. Hij wilde net de deur dichttrekken, toen het echtpaar met de grote koffer aan de bestuurder vroeg of ze mee mochten rijden. De vader van de jongen knikte. Ik keek naar de vrouw met de krullen die de zoveelste taxicentrale aan de lijn had. Toen ik me terugdraaide zag ik nog net hoe de vrouw met de broek de deur van de auto dichttrok.

Daar stonden we dan. Jasmijn, ik en de vrouw met de krullen. En de man met de baard. Die bekende schoorvoetend dat hij ook opgehaald zou worden, maar niet in de richting van Leiden ging. We keken elkaar aan. ‘Misschien moeten we dan toch maar de bus naar Schiphol nemen. Dan weten we zeker dat we thuis komen.’ Dus liepen we met z’n drieën door de tunnel terug en stapten in de volgende bus naar Schiphol.

Op de luchthaven verlieten we de bus. ‘Waar is onze vrouw?’ vroeg Jasmijn, terwijl ze zoekend om zich heen keek. Het samen-uit-samen-thuis gevoel is sterk ontwikkeld bij haar. We wachtten op de krullenbol en namen netjes afscheid. Zij ging direct door naar Leiden, wij besloten eerst wat te eten. Het was inmiddels acht uur en we hadden trek. Gelukkig was er bij de Burger King nog een tafeltje vrij.